Anima

Animula, vagula,blandula,

Hospes comeque corporis

Quae nunc abibis in loca

Pallidula, rigida, nudula,

Nec ut soles dabis jocos.

(Hadrianus)


Mijn teer wild zieltje’

Spreekt lichaam dat uw gastheer is

Gezel, ’t is waar

Soms wankel en mitsdien

Aarzelend.


Ongezien

Ontsnappen je waan-wijze woorden

Je spiegelbeeld, een kinderhand.


Het was een vreemde oude droom

Waarin je over water zweefde

Want jij was dag en nacht

Een ei dat breken moet , belofte

Die schuld maakt – een  vrouw

Van zwaarte zwanger


Nu ben je lichter dan materie

En soms hoor ik je zachte ruisen

In de lucht, een snorrebot

dat traag in zijn planetenbaan

Gans de wereld trillen doet


Ziel zweef! Jouw thermiek is ’s werelds onrust

Vind wegen, reiziger. Praat, pelgrim.

Deel je brood, je wijn.


Geen bloed  of corpus

Voor de Geliefde

Geen kloostergang of ziekenzaal

Waar vrouwen je bevoogden, Niets


Geen ander lichaam.

Dan dit.

  Praat, pelgrim  
This entry was posted in Eigen gedichten, Uncategorized and tagged , , . Bookmark the permalink.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *